barend ubbinkweg

barend ubbinkweg

probleem 16



Gligoric – Rosenstein, 

Chicago 1963

Wit begint. Mat in drie.





Voor het vinden van een combinatie is het wel handig als je in de stelling daarvoor een aanknopingspunt vindt. Zo ben je met het oplossen van bovenstaand probleem al een stuk verder als je het matbeeld ‘Loper – Toren’ herkent. (Zouden de zwarte Loper en Dame niet in de weg staan, dan zou Td8 mat zijn).  Zie je dat matbeeld, dan wordt het probleem een stuk concreter: hoe schakel ik die Dame en die Loper uit? Daar hebben we een paar beproefde methodes voor: slaan, wegjagen, lokken, tussenplaatsen, pennen.
  1. Dxe7+(Loper uitgeschakeld), Dxe7; 2. Ld6 ; (Dame gepend. Die moet wat. Wat?)
  2. …, Dxd6; 3. Te8#.

Dwingend is dit verloop echter niet, wel winnend. Na 2. Ld6, is Zwart niet gedwongen om te slaan. Fritz geeft als sterkste voortzetting voor zwart: 2. .., Pf7; 3. Lxe7+, Kg8; 4. Lxf6, gxf6; 5. Te7, Pg5; 6. Txb7 en wit staat een stuk en een paar pionnen voor.

Oplosklassement:
  1. Eric L             10 punten
  2. Eric V               6 punten
  3. Joop                  5 punten

4/m7: Joke, Fred, Albert, Henk   3 punten

Probleem 15

Het probleem van maandag 16 april 2015


Wit begint 
en maakt er met zijn vijfde zet mat van.

(Kasparian – Manvelian, Yerevan 1936)







Inzicht in de tactische mogelijkheden die een stelling biedt berust niet alleen op je eigen slimheid, maar vooral ook op patroonherkenning. Veel opgaven bekijken en oplossen en weinig drinken, dus.
In de stelling hierboven zit ook zo’n patroon. Kenmerkend, verraderlijk en dodelijk, zijn de opstelling van de witte Loper en het witte Paard op resp. g2 en f3. De Loper kijkt door  zijn Paard heen naar alle velden op de diagonaal h1 – a8, waarop toevallig ook de Koning van Zwart staat. Zou die koning op c6 staan, dan levert Pe5 een dubbelschaak op en ontneemt de Koning het vluchtveld d7, zodat de Koning alleen nog naar voren, naar c5 kan. Na Pd3+  raakt de Koning nog verder van huis en komt op d4 terecht. Of we hem daar mat kunnen geven of niet weten we als we goed visualiseren kunnen. Laten we het maar proberen. De Koning moet dus naar c6: 1. Dxc6, Kxc6; 2. Pe5+, Kc5; 3. Pd3+, Kd4; (nu heeft de Koning als vluchtvelden alleen nog c3 en d3. Die sluiten we dus af)  4. Kd2!! En wat Zwart ook voor zet verzint, Kasparian speelt 5. c3# .

Probleem 14

Het probleem van 23 maart 2015

           
Wit begint en wint.



 (Opocensky – Hromadka, Kosice 1931)






De Koning van Hromadka staat zo ingesloten, dat we wel aan mat kunnen gaan denken. Alleen het veld d6 staat nog tot zijn beschikking. Zou pion c6 er niet staan, dan was de terugtocht voor hem afgesloten. Een vlucht naar voren zit er ook niet in, want die wordt onmogelijk gemaakt door zijn witte collega. In zijwaartse richting wordt de Koning door pion g4 en zijn eigen Loper tot pas op de plaats veroordeeld. Dit alles betekent dat Wit zal moeten jagen, opruimen en mat zetten met Td1, Pf4 en pion f2.
Eerste prioriteit is dus te zorgen dat de zwarte Koning niet via d6 ontsnappen kan.

  1. Txd5+, cxd5;   (nu wordt de 6de rij beheerst door Wit en kan aan mat worden gedacht. Daartoe moet worden schaakgegeven. Veel keus is er daartoe niet:) 2. Pd3+ (lokt pion e4 weg en geeft ruim baan aan pion f2), exd3; 3. f4#

Probleem 13


Het probleem van 16 maart 2015


Tschigorin is aan zet en wint.

(Arnold – Tschigorin, simultaanpartij, Petersburg 1885)






Arnold staat dan wel tweemaal een kwaliteit + een pion voor, maar zijn Torens staan vooral de onderste rij te verdedigen.  Geef mij maar de stelling van Tschigorin. Vier stukken staan gericht op een Koning die twee pionnen als directe beschermers heeft. De zwarte pionnen op d3 en d4 geven rugdekking.  Bij zo’n overmacht ga je al snel aan mat denken. Bovendien kun je ervan uitgaan dat er wel een stuk geofferd kan worden. Wie in het veen zit, ziet nu eenmaal niet op een turfje. Maar wie moet de klos zijn?
Om die vraag te beantwoorden kijken we nog eens naar de stelling. Dan moet het opvallen dat dat pionnetje op g2 de belangrijkste verdediger is. Stond dat er niet, dan zouden zowel
1. Dh2+ en 1. Lf3+ al mat zijn. Dat pionnetje moet dus weg en liefst met schaak, want anders krijgt Zwart een lange reeks schaakjes aan de broek en waarom zou hij dat willen?
Eén zet slechts voldoet aan deze voorwaarden: 1. Dxg2+,  Kxg2; . Schaak geven met het Paard ligt niet voor de hand want dat moet het vluchtveld h2 blijven bestrijken. Gelukkig staat er nog een pion op e4 die het slot van de combinatie mogelijk maakt: 2. Lf3+, Kf1; 3. Ph2 #.


De moraal van het verhaal: een stuk is vrij vaak een Dame.

Probleem 12




(Horowitz – N.N,  USA 1941)

Zwart dreigt met mat (Df1+). 

Kan Wit zich nog redden?






Als je op de volgende zet van je tegenstander mat gezet kan worden, zijn er vier mogelijkheden: je kunt nog een aanvaller ( of de werking ervan) uitschakelen, je kunt het veld waarop je mat dreigt te gaan extra verdedigen, je geeft zelf mat, er is niets meer aan te doen. In de stelling hierboven zou Wit, om die gigantische batterij op de f-lijn te onderbreken, 1.Tf3,  kunnen spelen. Maar na 1…., Txf3; 2.De2, De3; 3. Dxe3, Txe3;  staat Wit niet mat, maar hij heeft wel een Toren verloren.
Aanmerkelijk sterker is het extra verdedigen van f1. Met 1. De1, kan Wit zich redden.
1. .., Dxe1; 2. Txe1, Tf2; 3. Tb1, enz.  Horowitz staat wel wat minder, maar tegen N.N. moet dat geen probleem zijn.

Als we nog eens goed naar de stelling kijken, dan moet ons opvallen dat Horowitz over twee dreigende Torens beschikt en een machtige witte Loper  heeft, Zou hij 1.De8+ kunnen spelen, dan dreigt er al bijna mat via de witte velden rondom de Koning van N.N : 2. Df6. Maar hier stokt de aanval, omdat dat pionnetje op g7 in de weg staat. Om deze onvolkomenheden uit de weg te ruimen, hebben we met succes Stap 3 bestudeerd.
  1. Tc8+, Lxc8 (weglokken van een verdediger, openen van een lijn. Indien 1, .., Kf7; dan volgt 2. Dc7+); 2. De8+, Tf8 (ook lokken, want ontneemt hier straks aan de Koning een vluchtveld); 3. Txg7+ (uitschakelen van een verdediger), Kxg7; 4. Dg6+ (fraai hoe Loper en Dame samenwerken), Kh8; 5. Dh7++.


Toch sneu voor N.N.  stond ie er eindelijk eens aardig voor, werd ie toch nog hardhandig van het bord geveegd.

Probleem 11


Short begint en wint. 

Geef zijn eerste drie zetten.

(Short – Timman, Tilburg 1991)






De Torens van Short zijn ijzersterk, de koningsvleugel van  Timman is gatenkaas. Short zou natuurlijk graag 1. Pg5 hebben gespeeld, maar dat kan niet, want na  1. .., Dxg2 is het mat. Ook zou hij graag een pion of een loper op h6 gehad willen hebben.  Maar hij heeft geen Loper en h6 is voor zijn pionnen onbereikbaar. Wat nu?
Het aardige aan het partijloop vind ik dat zo mooi illustreert dat het niet altijd de berekening van twintig zetten diepe varianten zijn die tot de winst leiden. Soms is een plan voldoende. Berekening:
Als ik dit zet en hij dat en ik dan zus of beter zo enz. Een plan: Ik win door dit en dit dat te doen.
Zo’n plan ontstaat natuurlijk op basis van stellingkenmerken. Short zal ook wel gezien hebben dat Timman voorlopig weinig dreigends kan ondernemen. Wat er nu in een hoofd gebeurt zodat je dit geruststellende gegeven kunt koppelen aan een antwoord op de vraag: hoe compenseer ik het gemis van een pion op h6 , is mij onduidelijk. ’t Is een kwestie van inzicht en creativiteit natuurlijk, maar hoe werkt dat nu weer. In de partij geschiedde:

  1. Kg3!, Tce8;  2. Kf4! (in feite speelt Short nu zonder tegenstander: Timmans zetten doen er niet toe), 2. .., Lc8;  3. Kg5!  En Timman gaf op - Prachtig!

Probleem 10

Het probleem van 16 februari 2015


Zwart begint en wint.  
(Nietsche – Factor,  Chicago 1921)







Het Paard op e5 staat daar, omdat Zwart het een zet eerder, toen het nog op f3 stond, aanviel met g4. De zet Pf3–e5is natuurlijk heel verleidelijk (ik zou hem zelf gespeeld kunnen hebben, want van het terugzetten van het Paard op de onderste rij zou ik niet vrolijk worden. Dan liever naar voren met tenminste nog een klein dreiginkje) ). Maar juist dat had  Nietsche aan het denken moeten zetten: als die Ravensteijn hem speelt, zal er wel een luchtje aan zitten. En dat zit er ook. Het is een kamikazezet. Want wat is er aan de hand?
Factor heeft een machtige Loper die de diagonaal a6 – f1 beheerst.. Op de Koningsvleugel rukken twee pionnen, ondersteund door Dame en Paard, vervaarlijk op, maar dodelijk is dat nog niet. Factor zal er materiaal bij moeten halen; Tg8 bijvoorbeeld. En kan Lf8 nog iets betekenen?  Ja, als pion d4 er niet stond, zou je middels 1. .., Lc5+ de Koning van Wit naar h2 verdrijven en in de armen van de vijandelijke troepen jagen. Als dat niet mat loopt, mag ik Nietsche heten. Pion d4 moet daar dus weg en dankzij het Paard op e5 is dat een koud kunstje.  1. .., Dxe5 (ruimen); 2. dxe5, Lc5+ (jagen); 3. Kh2, g3+ (magneet); 4. Kh3, Lc8 mat).   


Moraal van dit verhaal: de aanval is niet altijd de beste verdediging. Nietsche had dus Pe1 moeten spelen.

Probleem 9


Het probleem van 2 februari 2015

(Schanaposchnikow – Strekalowski) 

(Leningrad 1953)
  

                                 
Wit begint en wint (want maakt er mat van).


Hoewel Zwart de Dame van Wit aanvalt en hoewel hij ook nog dreigt  met c4 een kwaliteit te winnen, staan zijn stukken vrij beroerd. Alles wat er op de c-lijn staat, kan niet zetten, de Loper op f6 boft dat er een Dame voor zijn neus staat, maar als ze een stapje opzij doet staat ie toch voornamelijk een eigen Toren in de rug te kijken. Alleen via de h-lijn dreigt Zwart lastig te worden.
En wat heeft Wit dan? Tja.  Wit heeft in ieder geval een Loper die op de witte velden rondom de Koning is gericht. Verder heeft ie een Paard dat in één zet aan het strijdgewoel kan deelnemen., een Dame die, mits Schnanap. haar niet in laat staan, via b8 of  e8 de achterste rij bezetten kan en tot slot nog een Toren die zowel in voor- als zijwaartse richting uit de voeten kan. Dat het Wit wordt die mat gaat geven, is dus niet zo verwonderlijk. De vraag is dus: hoe?
Het antwoord: door te profiteren van voorkennis. We weten dat het mat moet worden en om dat te realiseren, moet Wit dwingende zetten doen, dus schaakjes geven. Hiertoe heeft Wit twee mogelijkheden. Omdat je geen Schnanap hoeft te zijn om in te zien dat 1. Dxf6+ nergens toe leidtblijft er alleen een Paardzet over. Geven we schaak met 1. Pxf5 of met 1. Pxh5? Natuurlijk met 1. Pxf5, want zo bestrijken we het vluchtveld h6. Dan zijn er twee mogelijkheden: de pion slaat of de Koning wijkt naar f8. Wijkt de Koning, 1. .., Kf8;  dan volgt: 2. Db8+ en de Dame slaat alle stukken die Zwart ertussen kan plaatsen om met, naar keuze,  4. Dxd8 of 4. Txd8 mat te zetten. Aannemelijk is dus dat de Koning niet wijkt.
Dan krijgen we: 1. Pxf5+, gxf5; (en nu is de g-lijn geopend, dus:) 2. Tg3+;  (na 2. .., Kh8 volgt 3. De8# en na 2. .., Kh6; 3.Dxf6#)  2…Kf8:
En nu leiden er twee wegen naar Rome. De eerste werd door de clubleden, solo of in teamverband, gevonden.
3. Dd6+, Le7; 4. Db8+, Pc8; 5. Dxc8+, Ld8; 6. Dxd8#.
Schanaposchnikow deed het wat artistieker en maakte daarbij gebruik van zijn machtige Loper op b3,
3. Tg8+, Kxg8; 4. De8+,  Kg7; 5. Dxf7+, Kh6; 6. Dxf6#.

Oplosklassement:
  1. EricL                          7 punten
  2. EricV + Joop               4 punten
  3. Joke + Fred                 3 punten
  4. Albert + Henk,           2 punten

Probleem 8

Het probleem van 26 januari 2015

 (Stephenson – Bain, Engeland 1962)


Wit begint en maakt er mat van.






Wat natuurlijk meteen opvalt, als je even naar de stelling kijkt, dat zijn de mooie open lijnen waarop de witte Torens staan. Kijken we even langer, dan valt op dat Zwart eigenlijk maar één verdediger heeft: de Dame. En die is met veel taken belast: de bescherming van de pion op e6 en de velden d8, f8 en g7.  Het zal duidelijk zijn dat dit voor een vrouw-alleen teveel van het goede is. Dan is het ook duidelijk dat die Dame van het veld e7 moet worden gelokt of gejaagd.  Op de club deed men dat met 1. Dc5  en dat is terecht. Wat Zwart hierna nog speelt, doet nauwelijks ter zake. Linksom, rechtsom, door het midden; het is in een paar zetten mat. In de partij waaraan deze opgave ontleent is, ging het anders. Stephenson zag dat hij, als hij de pion op e6 zou kunnen slaan, mat op g7 dreigde en dat dit mat alleen kan worden opgeheven als de Dame op de 7de rij staat.  Maar als ze op de 7de rij staat, staat ze niet op 8ste . En zo kwam hij tot de volgende, uiterst elegante matvoering.

  1. Td8+, Dxd8 (eerste geval van weglokken); 2. Dxe5, Dd7;  Mooi, die Toren zijn we kwijt. Zijn we daar iets mee opgeschoten?  Toch wel: ze verdedigt veld f8 niet meer.
Maar dat wordt toch door de zwarte Koning verdedigd?  Zeker! En daarom moet die ook worden weggelokt. Stephenson deed dat op de volgende elegante wijze:
  1. Dh8+, Kxh8; 4. Tf8 ++.  Wat kan schaken toch eenvoudig zijn en eenvoudig fraai.


Oplosklassement:

EricL                                   7 punten
EricV                                   4 punten
Joop                                     3 punten
      Albert, Henk, Joke, Fred      2 punten

Probleem 7

Het probleem van 19 januari 2015


Dit was de stelling (Roos – N.N. Zaandam 1906)

En de opgave luidde:

Wit begint en na zijn vierde zet is het mat.

Als we zien dat Roos aanmerkelijk dichterbij het aantrekken van een matnet zou zijn als hij schaak kon geven op e6, waarna de Koning van Zwart naar h7 moet en geen vluchtvelden meer heeft op g6 en g8, dan zijn we al een heel eind. Dan is het ook duidelijk dat de Dame op c8 die het veld e6 staat te verdedigen, van die plek weg moet.

Dus: 1. Td8+, Dd8; 2. De6+, Kh7;  (nu staat pion g7 nog in weg, dus die moet er ook af) 3.Tx6+,  gxh6 (nu is vluchtveld h6 geblokkeerd); 4. Df7+ en mat.

Het charmante aan deze combinatie is, vind ik, dat je twee Torens moet offeren om dan met een lullig Damezetje mat te geven. 


Nog aardiger vind ik het dat ze 45 jaar eerder ook al een keer op het bord was verschenen toen in 1861 N.N. in Wenen tegen Steinitz speelde.

De stelling was toen:

En wat Steinitz toen na even nadenken zag, zien wij nu in één oogopslag. Dat die N.N. er in 45 jaar niets heeft bij geleerd, is natuurlijk treurig.


De goeie oplossingen kwamen deze week van EricL en Joke.  





Probleem 6


Probleem van 29 december 2014

(Schkurowitsch – Statanov, Primorski 1974)

En de opgave luidde:

Wit geeft met zijn vierde zet mat. 




De oplossing.
Florissant kunnen we de stelling van Zwart niet noemen. Hij heeft weliswaar een pion meerr,  maar zijn stukken konden nauwelijks beroerder staan: ze vallen niets aan en staan elkaar vooral in de weg. Alleen dat Paard op f6 heeft een duidelijke functie: het dekt veld h6 en het voorkomt een lullige zet als Tf7+.  Wit daarentegen heeft al zijn vijf stukken op de Koningsvleugel gericht, is meester over de witte velden en baas van de h-lijn. Met vijf aanvallers tegen één verdediger, moet het voor Zwart desastreus aflopen.
Kenmerkend voor dit soort  stellingen is het dat de aanvallende partij rigoureus moet optreden; één of twee tamme zetten en Zwart kan zijn verdediging op orde brengen. Er moeten dus dwingende zetten worden gedaan. 1. Txf6 zou zo’n zet kunnen zijn, ware het niet dat je daarmee de ene verdediger vervangt door de andere en dat je je Toren kwijt bent. 1. Txf6 is dus niet de zet.
Het meest dwingend is natuurlijk het geven van schaak. Dat kan op twee manieren: 1. Dh6+ en
1.Dxh7+.  In een vluggertje speel je natuurlijk met je ogen dicht 1. Dh6+ en je ziet wel wat er gebeurt.  Dit dus: 1. Dh6+, Kh8; 2. g7+, Kg8; 3. Lxh7+, Pxh7; 4. Dg6, Pdf8; 5. gxf8D#.  Mooi zo. Mat. De winst is binnen. Maar wel in vijf en niet in vier.  Dh6+ is de zet dus ook niet. Zou het dan 1.Dxh7+ zijn?
Na 1.. Dxh7 heeft Zwart maar 1 zet: 1. .., Pxh7. Dit geeft de mogelijkheid tot 2. Tf7+, waarna de zwarte Koning alleen nog naar g8 en h8 kan.  Gaat ie naar g8, dan volgen 3. Ph6+ en 4. g7#.
Gaat ie naar h8, dan volgen g7+ en Ph6 #.
In de partij werd gespeeld: 1. Dxh7+, Pxh7; 2. Tf7+, Kh8; 3. g7+, Kg8; 4. Ph6#

Oplosklassement:

  1. EricL                           6 punten
  2. EricV                          4 punten
  3. Joop                            3 punten
  4. Albert en Henk           2 punten
  5. Fred                            1 punt

Probleem 5

Probleem van 15 december 2014



Stelling uit de partij King – Bedjanian, Rusland 1962)

Wit begint en geeft met zijn derde zet mat.









In stellingen als deze draait het bijna altijd om open lijnen en het uitschakelen (lokken, wegjagen, onderbreken en wat je nog meer hebt) van verdedigers. De voornaamste verdedigers van Zwart zijn  het Paard op e5 en de Dame op c7. Daarbij valt op dat die Dame het druk heeft: het Paard dekken en veld d8 verdedigen. De eerste kandidaatzet die zich dan je opdringt, is 1.Dxe5. Na 1. …, Dxe5 is dan 2. Td8+ mogelijk, waarna de zwarte Koning naar e7 moet en Toren d8 aanvalt, die nu iets spectaculairs moet doen, omdat het anders geen mat in drie wordt. Wie zich nu uit de serie matbeelden de patronen met Toren en Loper herinnert, heeft de sleutel tot de oplossing in handen. Wie goed in het visualiseren is in stellingen die niet meer op het bord staan, kan de sleutel omdraaien. Die ziet namelijk dat de Koning op e7 weinig vluchtvelden meer heeft. De velden d6 en f6 staan onder controle van Paard e4, d7 en e8 onder controle van Loper b5. Zo blijven alleen d8 en e6 nog over. Na 3. Te8+ is de Toren gedekt, worden de twee vluchtvelden bestreken en is het dus mat.
Samenvattend: 1. Dxe5, Dxe5; 2. Td8+, Te7; 3. Te8++
Meestal kom je die matvoering met Toren en Loper in horizontale richting tegen op de achterste rij. Dat het ook in verticale richting kan werken, vind ik wel aardig, al blijft het sneaky een Koning in de rug aan te vallen.

Eric V, EricL en Joop leverden de goeie oplossing in, zodat het oplosklassement er nu als volgt uitziet:
  1. EricL                          5 punten
  2. EricV                         3 punten
  3. Henk en Joop             2 punten
  4. Albert                         1 punt

Probleem 4

 Het probleem van 24 november 2014 


Wit geeft mat in 4. 









Dat Wit hier ten aanval is getrokken en dat Zwart zich staat te verdedigen, lijkt mij duidelijk.
Als zo de verhoudingen liggen, dan moeten we eens kijken, zoals we in Stap 3 hebben geleerd, wat de belangrijkste verdediger is. Weten we dat, dan moeten we iets bedenken om hem weg te jagen of te lokken. Al gauw zien we dat de hele verdediging van Zwart op de Dame op f6 berust, want die verhindert Dc7 – g7+. Die Dame moet daar dus weg. Veel manieren om dat doel te bereiken zijn er niet. Eigenlijk is er maar één: Tf3. De zwarte Dame moet dan of naar een wit veld of de Toren op f3 slaan. In beide gevallen kan hij veld g7 niet meer dekken. Weliswaar dreigt Zwart na Dxf3 mat in één te geven, maar Wit komt eerst en wel als volgt:
  1. Tf3, Txf3;  2. Dg7+, Kh5;  3. Dg6+, hxg6; 4. Th8 mat.

De Ericcen V en L vonden de juiste oplossing en daarmee wordt de stand in het oplosklassement:

  1. Eric L                                    4 punten
  2. Eric V en Henk                       2 punten
  3. Joop en Albert                        1 punt

Probleem 3

Het probleem van 17 november 2014


De opgave: 
Kan Zwart zich nog redden?










Het antwoord luidde natuurlijk: ‘Ja’. Was dit niet  het geval geweest, dan zou de opgave hebben geluid: ‘Hoe wint wit’.
Goed, het wordt dus remise. Omdat herhaling van zetten, eeuwig schaak en het overhouden van onvoldoende materiaal niet aan de orde lijken, gaan we er eerst maar eens van uit dat Zwart pat kan afdwingen. Omdat de zwarte pionnen vaststaan, betekent dit dat Zwart van zijn  stukken moet zien af te komen.
Kijken we naar de stelling, dan zien we al gauw dat een schaakje op b7 of c6 de Koning van Wit naar f5 dwingt. Moeten we nu op b7 of op c6 schaak geven? Dat leert ons de positie van de koning op f5. Iedereen zal wel zien dat Zwart nu een Paardvork heeft: Pe6 – g7 geeft schaak en valt de Dame op h5 aan. Lxg7 is nu gedwongen (en het Paard is van het van het bord). Op g7 ontneemt de Loper de vluchtvelden f8 en h8 aan de zwarte Koning. Nu moet er een zet te vinden zijn, waarmee Zwart zijn Dame kwijtraakt en een witte Dame of Koning op g6 krijgt. Dat lukt alleen met Dame g6+ en dat betekent dat we de combinatie beginnen moeten met Dame c6+.
Dus: 1. …, Dame c6+; 2. Kf5, Pg7+; 3. Lxg7, Dg6;  En of Wit nu met de Koning of de Dame slaat, het is pat.

Omdat EricL de enige was die een goeie oplossing inleverde, ziet de stand in het oplosklassement er nu als volgt uit;
  1. Eric                            3 punten
  2. Henk                          2 punten
  3. Joop, Albert, Paul      1 punt  

Probleem 2 - 29 september 2014



En de opgave luidde:

Wit geeft mat in 5 
(of Zwart verliest materiaal)






Een aanwijzing voor de weg naar de oplossing ligt al in de formulering van de opgave besloten, nl.: ‘of Zwart verliest materiaal’.  Kennelijk moet er door Wit wat geslagen worden, waarna Zwart de keuze heeft om zijn verlies te accepteren of mat te gaan. We kijken naar de stelling om te zien welke stukken in aanmerking komen om eraf geramd te worden. Dan hoef je geen Anand te zijn om te zien dat dat wel het Paard op d5 moet zijn. Je schakelt een verdediger van c7 uit en na 1. …, Dxd5 heb je nog een verdediger weggelokt. Verder zou ons kunnen opvallen dat Lf4 niet alleen naar c7 loert maar ook naar b8. Dit betekent dat vluchtvelden voor de zwarte Koning op witte velden moeten liggen en op a7. Tot slot moeten we ons verheugen over dat Paard op a4. Als we inzien dat
Pa4-b6 de velden a8 en c8 onder vuur neemt, zijn we een heel eind.
Dus: 1. Dxd5, Dxd5;  2. Txc7+, Kb8; 


OPl.: 1. Dxd5, Dxd5; 2.Txc7+, Kb8; 3. Tc8+, Ka7; 4. Lb8+, Ka8; 5. Pb6++

Probleem 1 - 22 september 2014




Zwart geeft mat in 5











We kijken naar de stelling.
Zou Wit aan zet zijn, dan is Zwart na Df7+  reddeloos verloren. Maar Zwart is aan zet en dat betekent dat er doortastend en vernietigend moet worden opgetreden.
Het fijne voor Zwart is dat al zijn stukken rechtstreeks op de witte Koning zijn gericht: Dame, Toren en de twee Paarden. Met vier aanvallers tegen één verdediger  (Pe3) hoef je niet op een stuk meer of minder te kijken.. Er kan geofferd worden en er moet schaak gegeven worden, want anders gaat het Zwart er aan. Ook valt op dat de pion op g2 de activiteit van de zwarte Paarden ernstig belemmerd. Tenslotte dient te worden opgemerkt dat als Th8 een functie heeft, die functie alleen maar kan zijn om, na opruiming van pion h2,  langs de h-lijn mat te zetten. Nu kunnen we afstrepen. 1. Ph3+ leidt tot stukverlies, 1Pe2+ levert ook niets op.
Blijft er niet veel keuze meer over. We hadden natuurlijk ook kunnen denken: hoe krijg ik met schaak die g-pion van het bord. Beide gedachtegangen leiden naar hetzelfde antwoord:
  1. …, Dxg2; 2. Pxg2; (het Paard is nu een soort invalide pion die niet zijwaarts kan slaan en de zwarte Paarden hebben nu vrij spel) 2…, Pf3+; 3. Kf1, Pxh2+ (de h-lijn wordt geopend); 4. Ke1, Pf3+; 5. Kf1, Th1#.


EricL en Henk leverden de goede oplossing in en voeren na één ronde het oplosklassement aan. Hopelijk voelen velen van jullie zich geroepen de komende maanden de concurrentie met dit duo aan te gaan.

Probleem 25


12 mei 2014 


Wit begint en wint.

(Stelling uit Bernstein – N.N. 1909)








N.N. heeft het dit keer voor zijn doen lang volgehouden en staat op het eerste gezicht niet eens zo beroerd. Zijn Koning staat niet geweldig, maar hij heeft wel een pluspion. .Wat stelt Bernstein hier tegenover?  Matdreiging door Paard b7, wat verhinderd wordt door het paard op d8. Kijken we naar kandidaatzetten, dan zijn dat er eigenlijk maar twee: a3 en c4.  Omdat je na 1. a3, c5; 2.a4, b5 niet verder komt, blijft . 1. c4 over.  Maar waarom zou dat de winnende zet zijn?  Omdat te weten moet  je kunnen visualiseren wat het vervolg is van de mogelijke antwoorden van Zwart.  Hoe gaat het verder na 1. …, bxc5,  1. …, Pe6  of 1. …, b5??  De eerste twee zien er veelbelovend uit.
1. c4, bxc5; 2. Pc4+, Kb5;  3. a4 mat
1. c4, Pe6;  2. Pb7+, Kb5;  3. a4 mat
Maar wat gebeurt er als N.N. b5 speelt en daarmee de kritische velden c4 en b7 onder  controle houdt?
Dan moeten we Zwart ertoe dwingen om of veld c4 of veld b7 op te geven. Zo niet, dan beleeft N.N. de dag van zijn leven.
1. c4, b5; 2. a3!  en nu is N.N. in zetdwang. Wat ie ook doet, elk antwoord leidt tot mat. Sneu!  

Probleem 24

5 mei 20 14

Wit begint en geeft met zijn zesde zet mat.

( Stelling uit de partij:
  Sakharov – Cherepkov, Alma Ata 1969)







Wit heeft zwaar geschut in stelling gebracht. Zijn Lopers zijn geweldenaars, zijn Dame en
Toren f4 staan klaar  om finale klappen uit te delen. Een patroon dringt zich al snel op:  h-lijn openen en dan via die lijn met Toren en Dame op de Koning af.  Zoiets als: 1. Lxh7+. Kxh7; 2. Th4+. Kg8; 3. Th8+. Kxh8; 4. … tja, en dan blijkt Dh6+ tot niets te leiden omdat die Loper op f8 de pion op g7 dekt en dan ben je helaas een Loper en een Toren kwijt. Maar nu hebben we wel de sleutel tot de oplossing in handen: die Loper moet daar weg!! Het plan wordt dus: lijn openen, Loper weglokken, Koning naar h8 dwingen en gebruik makend van het feit dat pion g7 dan in de penning staat, mat geven op g7.
  1. Lxh7+, Kxh7; 2. Txd6!, Lxd6 ( en weg is ie); 3. Txh4+, Kg8; 4. Th8+, Kxh8; 5. Dxh6, Kg8; 6. Dxg7++.
 Deze oplossing werd door diverse clubleden gevonden. Maar, zoals gebruikelijk, was er toch weer een clublid dat het beter wist dan de grootmeester in kwestie en die na 2. Txd6 niet wilde slaan. Tja.  Fritz dus maar geraadpleegd en warempel, die gaf het clublid gelijk en stelde f6, f5 en Kg8 voor met een lichte voorkeur voor f6. En dan heeft Wit wel wat voordeel, maar de strijd is dan nog lang niet gestreden. Verrassend vond ik ook dat Fritz niet met het inslaan op h7 begon, maar met 1. Txd6, Lxg7. Dan werd het ook geen mat in 6, maar wel in 20.
Dit alles is op zijn minst toch opmerkelijk. Een partij tussen twee grootmeester wordt door een Russische toptrainer zonder commentaar als voorbeeld gegeven om een aantal tactische principes te illustreren en een schaker uit de onderbond wiens ratingcurve al geruime tijd een vrije verval vertoont,
ontmaskert de partij als broddelwerk.
Het lijkt me dat wij hier hoop uit kunnen putten. Ook wij knoeien er meestal duchtig op los, maar in wezen zijn we geniaal.