barend ubbinkweg

barend ubbinkweg

Probleem 2 van 21 september 2015

Wit begint, mat in 5.

Wit staat een stuk achter, dus als ie nog winnen wil moet er van dik hout planken worden gezaagd.
Wat aan de stelling opvalt, is dat de zwarte Koning alleen beschermd wordt door drie pionnen op een rij. Verder valt op dat de twee Torens van Wit in een mum van tijd naar de open a- en b-lijn kunnen worden verplaatst. Zouden de pionnen op a7 en b7 er niet staan, dan was het mat.Tenminste, als Paard b 5 niet in de weg zou staan. We moeten dus kijken of, en zo ja hoe, we de a-en b-lijn kunnen openen voor de Torens. De zet 1. Pc6+ ligt voor de hand: dreigt mat en lokt een pion naar voren waardoor er een muurtje ontstaat waar de koning nog maar omheen moet zien te lopen.  Voor het opruimen van de a-pion is er maar één zet: 2. Dxa7
Nu, met de Koning op a7, kunnen de torens in actie komen. Dat na 3. Ta1+ .en 4.Tb1+ de Koning op c5 terechtkomt valt ook nog wel te zien. Maar hoe verder. Als je ziet dat de Koning vanaf c5 naar geen enkel veld zonder zichzelf schaak te geven, weet je dat het mat is als je schaak geeft.
Samengevat:
  1. Pc6+, bxc6; 2. Dxa7+, Kxa7; 3. Ta1+, Kb6; 4. Tb1+. Kc5; 5. Ta5#
EricL deed het iets anders: 1.Pc6+, bxc6; 2. Tb1+, Ka8; 3. Dxa7+, Kxa7; 4. Ta1+, Kb6; 5.Thb1+; Kc5; 6. Ta5#.  Maar dit is mat in 6 en de vraag was mat in 5. Een half punt voor Eric, derhalve.

Oplosklassement:

  1. Erik V, Fred, Robbie, Albert, Frank S          1 punt.
6.   EricL,                                                            ½ punt.

Probleem 1 van 14 september 2015

Wit begint en wint.

Wit staat een volle toren achter, maar de Toren van Zwart op a8 doet niet nog niet mee. Verder valt natuurlijk op dat de Toren van Wit op b5 gepend staat. Anderzijds, als die Toren ergens op zo’n manier heen kan dat ie iets dodelijks dreigt,  dan wint Wit de zwarte Dame.
De vraag wordt nu of er zo’n zet is. Het antwoord op die vraag wordt wat makkelijker als je het arsenaal aan tactische trucs (uitschakelen van een verdediger, forceren van toegang, lokken, penning enz.) paraat hebt, al biedt dat geen garantie voor de oplossing..
We kijken nog eens naar de stelling. De Koning van Zwart staat uitermate beroerd en kan geen kant uit. Zou je hem op h8 kunnen krijgen, dan staat Lg7 gepend en kan niet terugnemen als je op h6 zou kunnen inslaan. Je krijgt de Koning op h8 door Pg5+, maar dat wordt verhinderd door pion h6. Die pion moet je dus ook zien te pennen.  En waaratje, dat kan.
  1. Th5!,  (indien nu gxh5 dan 2.Dxh4 en Wit wint), Dxd7; 2. Pxg5+, Kh8 (daar gaat ie); 3. Txh6#.

Oplosklassement:

  1. Erik V en Fred           1 punt.

probleem 20


Kan wit de zwarte aanval pareren?

(Luchovsky – Gridnev) 

(correspondentiepartij, 1976)

Zwart lijkt hier de winst al op zak te hebben. De Dame van Luchovsky moet weg maar kan niet weg vanwege mat. Slaan op d5 verliest natuurlijk ook. Ook 1. Td1 lijdt na 1. …, De6 tot materiaalverlies.  Kon Wit nu maar Tc8+ spelen…., maar dat wordt door Dame h3 verijdeld. Maar met dit inzicht gewapend kunnen we kijken hoe de werking van die lastpost kan worden uitgeschakeld. En als we zover zijn, dan zien we al gauw dat 1. g4 !! de winnende zet is.
 
Moraal van dit verhaal:   hoop doet leven en dromen zijn er om te verwerkelijken.

Velen wilden aanspraak maken op genialiteit, alleen Fred maakte die aanspraak waar.

Eindstand oplosklassement:

1 EricL                13 pt
2 Joop                   8 pt
3 EricV                  6 pt
4 Henk                  5 pt
5 Fred                   4 pt

6 Joke, Albert       3 pt.

Probleem 19


Het probleem van 1 juni 2015


Zwart aan zet wint.

(Meo – Guistolisi, Reggio Emilia 1959/1960)





Iemand zou eens het boekje moeten schrijven met als ondertitel:’ Wat je als schaker minimaal moet weten, kunnen en begrijpen om je partijtjes wat vaker te winnen’. Zou ik dat zelf schrijven, dan zou ik zeker een hoofdstukje wijden aan matbeelden die je in de praktijk nog al eens tegenkomt. In dat hoofdstukje zou dan het volgende diagram te zien zijn.


In deze stelling geeft Wit mat in drie. 

1. Pe7+. Kh8; 2. Dxh7+, Kxh7; 3. Th1#.

Ken je dit matbeeld, dat bekend staat als “het mat van Anastasia”, dan kun je daar, zolang je nog niet aan alzheimer lijdt, in je partij rekening mee houden. Als het patroon erin zit, kun je erop spelen, zowel om het uit te voeren als om het te voorkomen. Natuurlijk kun je dit matpatroon ook zelf bedenken. 1. Pe7+ jaagt de koning naar een veld waar ie liever niet wil staan en beneemt hem tegelijkertijd twee vluchtvelden (g8 en g6). Met 2. Dxh7 verschaffen we ons toegang door de h-lijn te openen en dan is 3. Th1+ mat. Zo, in diagramvorm en als opgave, is deze matvoering niet moeilijk om te vinden. In een partij, met tal van andere stukken en dreigingen op het bord, wordt het toch wat ingewikkelder. Dan scheelt het een stuk, al was het maar in bedenktijd, als je het matbeeld herkent. Je hoeft dan niet het wiel uit te vinden, maar alleen te kijken of het draait.

Terug nu naar de partij van Meo en Guistolisi. Dat zou nog een behoorlijk taai partijtje hebben kunnen worden, ware het niet Guistolosi ‘ Het mat van Anastasia’ herkende. Ik vermoed dat aan de diagramstelling de volgende zetten zijn voorafgegaan:

…, Td4; 2. Db4-c5, ….,  want die Toren moet naar de h-lijn toe. De rest is nu wel duidelijk.

1. …, Pe2+; 2. Kh1, Dxh2+; 3. Kxh2, Th4#.


Stand in het oplosklassement:

1.   EricL                12 pt
2.   Joop                  8 pt
3.   EricV                 6 pt
4.   Henk                  5 pt
5/7  Joke, Albert, Fred    3 pt.

Probleem 18



 Het probleem van 18 mei 2015


(Georgadze – Kuindzhi, Tbilisi 1973)

Zwart maakt er mat van.









Kuikndzhi maakt er dus mat van. Dat moet ie wel, want anders doet Georgadze het met de eenvoudige zet Df8.  Kijkend naar de stelling zal meteen opvallen dat de Koning van Wit geen kant op kan. De stukken van Zwart die daarvoor verantwoordelijk zijn, zijn de Toren op g2 en de Koning op h6. In Stap 3 (of 2) worden die “de bewakers” genoemd, de overige stukken zijn “jagers”. 
Een matbeeld dat in het oog springt is: 1. …, Th5+; 2. Lxh5, g5#.  Maar dat werkt niet omdat Dame f4 dat verhinderd. Die Dame moet dus weg van f4, maar niet naar f8 worden gejaagd.
Er is maar één zet die aan deze beide voorwaarden beantwoordt: 1. …, Df2+;.  Is deze fraaie zet gevonden, dan loopt de rest vanzelf. 2. Dxf2, Th5+; 3. Lxh5, g5# en wel op uiterst elegante wijze.

Stand in het oplosklassement:
:
  1.  EricL                    11 pt
  2.  Joop                       7 pt
  3.  EricV                     6 pt
  4.  Henk                      5 pt
  5.  Joke, Albert, Fred  3 pt.

Probleem 17


Het probleem van 11 mei 2015




Zwart geeft mat in 5

(Sunni – Alvira, Helsinki, 1957)



Dat Zwart na 1. …, Dxg4 of na 1. …, Dh7 gewonnen staat, lijkt me duidelijk. 
Maar waarom zou je je in een eindspel begeven als er mat in de stelling zit?
Een beetje schaker ziet meteen de dreigingen langs de open h-lijn; die zijn we wel vaker tegengekomen. Een beetje meer schaker ziet meteen de dreigingen die uitgaan van de positie van Paard e5 met daarachter de Loper op d6. Ook dit is een bekend patroon: denk de Toren op h8 weg en de witte Koning op h2 en er volgt een dodelijk aftrekdubbelschaak.
De sleutel tot de oplossing ligt dus in het combineren van beide patronen. 
De Koning van Sunni moet naar h2, waarna het na Pf3 gevolgd door  Toren h8+ mat is.
Dat is nu niet moeilijk meer.

1. …, Th1+ (lokken)
2. Kxh1, Dh7+;  
3. Kh1, Dh2+ (lokken);
4. Kxh2, Pf3+ (dubbelschaak en aanval op vluchtveld f1;  
5 Kh1 of h3. Th8#.

Joop, Fred en Eric L leverden de goeie oplossing in zodat het oplosklassement er nu als volgt uitziet:

     1                   EricL                       11 pt
     2/3                EricV + Joop              6 pt
4.                   Fred                         5 pt
5 t/m 7          Joke, Albert, Fred     3 pt.

probleem 16



Gligoric – Rosenstein, 

Chicago 1963

Wit begint. Mat in drie.





Voor het vinden van een combinatie is het wel handig als je in de stelling daarvoor een aanknopingspunt vindt. Zo ben je met het oplossen van bovenstaand probleem al een stuk verder als je het matbeeld ‘Loper – Toren’ herkent. (Zouden de zwarte Loper en Dame niet in de weg staan, dan zou Td8 mat zijn).  Zie je dat matbeeld, dan wordt het probleem een stuk concreter: hoe schakel ik die Dame en die Loper uit? Daar hebben we een paar beproefde methodes voor: slaan, wegjagen, lokken, tussenplaatsen, pennen.
  1. Dxe7+(Loper uitgeschakeld), Dxe7; 2. Ld6 ; (Dame gepend. Die moet wat. Wat?)
  2. …, Dxd6; 3. Te8#.

Dwingend is dit verloop echter niet, wel winnend. Na 2. Ld6, is Zwart niet gedwongen om te slaan. Fritz geeft als sterkste voortzetting voor zwart: 2. .., Pf7; 3. Lxe7+, Kg8; 4. Lxf6, gxf6; 5. Te7, Pg5; 6. Txb7 en wit staat een stuk en een paar pionnen voor.

Oplosklassement:
  1. Eric L             10 punten
  2. Eric V               6 punten
  3. Joop                  5 punten

4/m7: Joke, Fred, Albert, Henk   3 punten

Probleem 15

Het probleem van maandag 16 april 2015


Wit begint 
en maakt er met zijn vijfde zet mat van.

(Kasparian – Manvelian, Yerevan 1936)







Inzicht in de tactische mogelijkheden die een stelling biedt berust niet alleen op je eigen slimheid, maar vooral ook op patroonherkenning. Veel opgaven bekijken en oplossen en weinig drinken, dus.
In de stelling hierboven zit ook zo’n patroon. Kenmerkend, verraderlijk en dodelijk, zijn de opstelling van de witte Loper en het witte Paard op resp. g2 en f3. De Loper kijkt door  zijn Paard heen naar alle velden op de diagonaal h1 – a8, waarop toevallig ook de Koning van Zwart staat. Zou die koning op c6 staan, dan levert Pe5 een dubbelschaak op en ontneemt de Koning het vluchtveld d7, zodat de Koning alleen nog naar voren, naar c5 kan. Na Pd3+  raakt de Koning nog verder van huis en komt op d4 terecht. Of we hem daar mat kunnen geven of niet weten we als we goed visualiseren kunnen. Laten we het maar proberen. De Koning moet dus naar c6: 1. Dxc6, Kxc6; 2. Pe5+, Kc5; 3. Pd3+, Kd4; (nu heeft de Koning als vluchtvelden alleen nog c3 en d3. Die sluiten we dus af)  4. Kd2!! En wat Zwart ook voor zet verzint, Kasparian speelt 5. c3# .

Probleem 14

Het probleem van 23 maart 2015

           
Wit begint en wint.



 (Opocensky – Hromadka, Kosice 1931)






De Koning van Hromadka staat zo ingesloten, dat we wel aan mat kunnen gaan denken. Alleen het veld d6 staat nog tot zijn beschikking. Zou pion c6 er niet staan, dan was de terugtocht voor hem afgesloten. Een vlucht naar voren zit er ook niet in, want die wordt onmogelijk gemaakt door zijn witte collega. In zijwaartse richting wordt de Koning door pion g4 en zijn eigen Loper tot pas op de plaats veroordeeld. Dit alles betekent dat Wit zal moeten jagen, opruimen en mat zetten met Td1, Pf4 en pion f2.
Eerste prioriteit is dus te zorgen dat de zwarte Koning niet via d6 ontsnappen kan.

  1. Txd5+, cxd5;   (nu wordt de 6de rij beheerst door Wit en kan aan mat worden gedacht. Daartoe moet worden schaakgegeven. Veel keus is er daartoe niet:) 2. Pd3+ (lokt pion e4 weg en geeft ruim baan aan pion f2), exd3; 3. f4#

Probleem 13


Het probleem van 16 maart 2015


Tschigorin is aan zet en wint.

(Arnold – Tschigorin, simultaanpartij, Petersburg 1885)






Arnold staat dan wel tweemaal een kwaliteit + een pion voor, maar zijn Torens staan vooral de onderste rij te verdedigen.  Geef mij maar de stelling van Tschigorin. Vier stukken staan gericht op een Koning die twee pionnen als directe beschermers heeft. De zwarte pionnen op d3 en d4 geven rugdekking.  Bij zo’n overmacht ga je al snel aan mat denken. Bovendien kun je ervan uitgaan dat er wel een stuk geofferd kan worden. Wie in het veen zit, ziet nu eenmaal niet op een turfje. Maar wie moet de klos zijn?
Om die vraag te beantwoorden kijken we nog eens naar de stelling. Dan moet het opvallen dat dat pionnetje op g2 de belangrijkste verdediger is. Stond dat er niet, dan zouden zowel
1. Dh2+ en 1. Lf3+ al mat zijn. Dat pionnetje moet dus weg en liefst met schaak, want anders krijgt Zwart een lange reeks schaakjes aan de broek en waarom zou hij dat willen?
Eén zet slechts voldoet aan deze voorwaarden: 1. Dxg2+,  Kxg2; . Schaak geven met het Paard ligt niet voor de hand want dat moet het vluchtveld h2 blijven bestrijken. Gelukkig staat er nog een pion op e4 die het slot van de combinatie mogelijk maakt: 2. Lf3+, Kf1; 3. Ph2 #.


De moraal van het verhaal: een stuk is vrij vaak een Dame.

Probleem 12




(Horowitz – N.N,  USA 1941)

Zwart dreigt met mat (Df1+). 

Kan Wit zich nog redden?






Als je op de volgende zet van je tegenstander mat gezet kan worden, zijn er vier mogelijkheden: je kunt nog een aanvaller ( of de werking ervan) uitschakelen, je kunt het veld waarop je mat dreigt te gaan extra verdedigen, je geeft zelf mat, er is niets meer aan te doen. In de stelling hierboven zou Wit, om die gigantische batterij op de f-lijn te onderbreken, 1.Tf3,  kunnen spelen. Maar na 1…., Txf3; 2.De2, De3; 3. Dxe3, Txe3;  staat Wit niet mat, maar hij heeft wel een Toren verloren.
Aanmerkelijk sterker is het extra verdedigen van f1. Met 1. De1, kan Wit zich redden.
1. .., Dxe1; 2. Txe1, Tf2; 3. Tb1, enz.  Horowitz staat wel wat minder, maar tegen N.N. moet dat geen probleem zijn.

Als we nog eens goed naar de stelling kijken, dan moet ons opvallen dat Horowitz over twee dreigende Torens beschikt en een machtige witte Loper  heeft, Zou hij 1.De8+ kunnen spelen, dan dreigt er al bijna mat via de witte velden rondom de Koning van N.N : 2. Df6. Maar hier stokt de aanval, omdat dat pionnetje op g7 in de weg staat. Om deze onvolkomenheden uit de weg te ruimen, hebben we met succes Stap 3 bestudeerd.
  1. Tc8+, Lxc8 (weglokken van een verdediger, openen van een lijn. Indien 1, .., Kf7; dan volgt 2. Dc7+); 2. De8+, Tf8 (ook lokken, want ontneemt hier straks aan de Koning een vluchtveld); 3. Txg7+ (uitschakelen van een verdediger), Kxg7; 4. Dg6+ (fraai hoe Loper en Dame samenwerken), Kh8; 5. Dh7++.


Toch sneu voor N.N.  stond ie er eindelijk eens aardig voor, werd ie toch nog hardhandig van het bord geveegd.

Probleem 11


Short begint en wint. 

Geef zijn eerste drie zetten.

(Short – Timman, Tilburg 1991)






De Torens van Short zijn ijzersterk, de koningsvleugel van  Timman is gatenkaas. Short zou natuurlijk graag 1. Pg5 hebben gespeeld, maar dat kan niet, want na  1. .., Dxg2 is het mat. Ook zou hij graag een pion of een loper op h6 gehad willen hebben.  Maar hij heeft geen Loper en h6 is voor zijn pionnen onbereikbaar. Wat nu?
Het aardige aan het partijloop vind ik dat zo mooi illustreert dat het niet altijd de berekening van twintig zetten diepe varianten zijn die tot de winst leiden. Soms is een plan voldoende. Berekening:
Als ik dit zet en hij dat en ik dan zus of beter zo enz. Een plan: Ik win door dit en dit dat te doen.
Zo’n plan ontstaat natuurlijk op basis van stellingkenmerken. Short zal ook wel gezien hebben dat Timman voorlopig weinig dreigends kan ondernemen. Wat er nu in een hoofd gebeurt zodat je dit geruststellende gegeven kunt koppelen aan een antwoord op de vraag: hoe compenseer ik het gemis van een pion op h6 , is mij onduidelijk. ’t Is een kwestie van inzicht en creativiteit natuurlijk, maar hoe werkt dat nu weer. In de partij geschiedde:

  1. Kg3!, Tce8;  2. Kf4! (in feite speelt Short nu zonder tegenstander: Timmans zetten doen er niet toe), 2. .., Lc8;  3. Kg5!  En Timman gaf op - Prachtig!

Probleem 10

Het probleem van 16 februari 2015


Zwart begint en wint.  
(Nietsche – Factor,  Chicago 1921)







Het Paard op e5 staat daar, omdat Zwart het een zet eerder, toen het nog op f3 stond, aanviel met g4. De zet Pf3–e5is natuurlijk heel verleidelijk (ik zou hem zelf gespeeld kunnen hebben, want van het terugzetten van het Paard op de onderste rij zou ik niet vrolijk worden. Dan liever naar voren met tenminste nog een klein dreiginkje) ). Maar juist dat had  Nietsche aan het denken moeten zetten: als die Ravensteijn hem speelt, zal er wel een luchtje aan zitten. En dat zit er ook. Het is een kamikazezet. Want wat is er aan de hand?
Factor heeft een machtige Loper die de diagonaal a6 – f1 beheerst.. Op de Koningsvleugel rukken twee pionnen, ondersteund door Dame en Paard, vervaarlijk op, maar dodelijk is dat nog niet. Factor zal er materiaal bij moeten halen; Tg8 bijvoorbeeld. En kan Lf8 nog iets betekenen?  Ja, als pion d4 er niet stond, zou je middels 1. .., Lc5+ de Koning van Wit naar h2 verdrijven en in de armen van de vijandelijke troepen jagen. Als dat niet mat loopt, mag ik Nietsche heten. Pion d4 moet daar dus weg en dankzij het Paard op e5 is dat een koud kunstje.  1. .., Dxe5 (ruimen); 2. dxe5, Lc5+ (jagen); 3. Kh2, g3+ (magneet); 4. Kh3, Lc8 mat).   


Moraal van dit verhaal: de aanval is niet altijd de beste verdediging. Nietsche had dus Pe1 moeten spelen.

Probleem 9


Het probleem van 2 februari 2015

(Schanaposchnikow – Strekalowski) 

(Leningrad 1953)
  

                                 
Wit begint en wint (want maakt er mat van).


Hoewel Zwart de Dame van Wit aanvalt en hoewel hij ook nog dreigt  met c4 een kwaliteit te winnen, staan zijn stukken vrij beroerd. Alles wat er op de c-lijn staat, kan niet zetten, de Loper op f6 boft dat er een Dame voor zijn neus staat, maar als ze een stapje opzij doet staat ie toch voornamelijk een eigen Toren in de rug te kijken. Alleen via de h-lijn dreigt Zwart lastig te worden.
En wat heeft Wit dan? Tja.  Wit heeft in ieder geval een Loper die op de witte velden rondom de Koning is gericht. Verder heeft ie een Paard dat in één zet aan het strijdgewoel kan deelnemen., een Dame die, mits Schnanap. haar niet in laat staan, via b8 of  e8 de achterste rij bezetten kan en tot slot nog een Toren die zowel in voor- als zijwaartse richting uit de voeten kan. Dat het Wit wordt die mat gaat geven, is dus niet zo verwonderlijk. De vraag is dus: hoe?
Het antwoord: door te profiteren van voorkennis. We weten dat het mat moet worden en om dat te realiseren, moet Wit dwingende zetten doen, dus schaakjes geven. Hiertoe heeft Wit twee mogelijkheden. Omdat je geen Schnanap hoeft te zijn om in te zien dat 1. Dxf6+ nergens toe leidtblijft er alleen een Paardzet over. Geven we schaak met 1. Pxf5 of met 1. Pxh5? Natuurlijk met 1. Pxf5, want zo bestrijken we het vluchtveld h6. Dan zijn er twee mogelijkheden: de pion slaat of de Koning wijkt naar f8. Wijkt de Koning, 1. .., Kf8;  dan volgt: 2. Db8+ en de Dame slaat alle stukken die Zwart ertussen kan plaatsen om met, naar keuze,  4. Dxd8 of 4. Txd8 mat te zetten. Aannemelijk is dus dat de Koning niet wijkt.
Dan krijgen we: 1. Pxf5+, gxf5; (en nu is de g-lijn geopend, dus:) 2. Tg3+;  (na 2. .., Kh8 volgt 3. De8# en na 2. .., Kh6; 3.Dxf6#)  2…Kf8:
En nu leiden er twee wegen naar Rome. De eerste werd door de clubleden, solo of in teamverband, gevonden.
3. Dd6+, Le7; 4. Db8+, Pc8; 5. Dxc8+, Ld8; 6. Dxd8#.
Schanaposchnikow deed het wat artistieker en maakte daarbij gebruik van zijn machtige Loper op b3,
3. Tg8+, Kxg8; 4. De8+,  Kg7; 5. Dxf7+, Kh6; 6. Dxf6#.

Oplosklassement:
  1. EricL                          7 punten
  2. EricV + Joop               4 punten
  3. Joke + Fred                 3 punten
  4. Albert + Henk,           2 punten

Probleem 8

Het probleem van 26 januari 2015

 (Stephenson – Bain, Engeland 1962)


Wit begint en maakt er mat van.






Wat natuurlijk meteen opvalt, als je even naar de stelling kijkt, dat zijn de mooie open lijnen waarop de witte Torens staan. Kijken we even langer, dan valt op dat Zwart eigenlijk maar één verdediger heeft: de Dame. En die is met veel taken belast: de bescherming van de pion op e6 en de velden d8, f8 en g7.  Het zal duidelijk zijn dat dit voor een vrouw-alleen teveel van het goede is. Dan is het ook duidelijk dat die Dame van het veld e7 moet worden gelokt of gejaagd.  Op de club deed men dat met 1. Dc5  en dat is terecht. Wat Zwart hierna nog speelt, doet nauwelijks ter zake. Linksom, rechtsom, door het midden; het is in een paar zetten mat. In de partij waaraan deze opgave ontleent is, ging het anders. Stephenson zag dat hij, als hij de pion op e6 zou kunnen slaan, mat op g7 dreigde en dat dit mat alleen kan worden opgeheven als de Dame op de 7de rij staat.  Maar als ze op de 7de rij staat, staat ze niet op 8ste . En zo kwam hij tot de volgende, uiterst elegante matvoering.

  1. Td8+, Dxd8 (eerste geval van weglokken); 2. Dxe5, Dd7;  Mooi, die Toren zijn we kwijt. Zijn we daar iets mee opgeschoten?  Toch wel: ze verdedigt veld f8 niet meer.
Maar dat wordt toch door de zwarte Koning verdedigd?  Zeker! En daarom moet die ook worden weggelokt. Stephenson deed dat op de volgende elegante wijze:
  1. Dh8+, Kxh8; 4. Tf8 ++.  Wat kan schaken toch eenvoudig zijn en eenvoudig fraai.


Oplosklassement:

EricL                                   7 punten
EricV                                   4 punten
Joop                                     3 punten
      Albert, Henk, Joke, Fred      2 punten

Probleem 7

Het probleem van 19 januari 2015


Dit was de stelling (Roos – N.N. Zaandam 1906)

En de opgave luidde:

Wit begint en na zijn vierde zet is het mat.

Als we zien dat Roos aanmerkelijk dichterbij het aantrekken van een matnet zou zijn als hij schaak kon geven op e6, waarna de Koning van Zwart naar h7 moet en geen vluchtvelden meer heeft op g6 en g8, dan zijn we al een heel eind. Dan is het ook duidelijk dat de Dame op c8 die het veld e6 staat te verdedigen, van die plek weg moet.

Dus: 1. Td8+, Dd8; 2. De6+, Kh7;  (nu staat pion g7 nog in weg, dus die moet er ook af) 3.Tx6+,  gxh6 (nu is vluchtveld h6 geblokkeerd); 4. Df7+ en mat.

Het charmante aan deze combinatie is, vind ik, dat je twee Torens moet offeren om dan met een lullig Damezetje mat te geven. 


Nog aardiger vind ik het dat ze 45 jaar eerder ook al een keer op het bord was verschenen toen in 1861 N.N. in Wenen tegen Steinitz speelde.

De stelling was toen:

En wat Steinitz toen na even nadenken zag, zien wij nu in één oogopslag. Dat die N.N. er in 45 jaar niets heeft bij geleerd, is natuurlijk treurig.


De goeie oplossingen kwamen deze week van EricL en Joke.  





Probleem 6


Probleem van 29 december 2014

(Schkurowitsch – Statanov, Primorski 1974)

En de opgave luidde:

Wit geeft met zijn vierde zet mat. 




De oplossing.
Florissant kunnen we de stelling van Zwart niet noemen. Hij heeft weliswaar een pion meerr,  maar zijn stukken konden nauwelijks beroerder staan: ze vallen niets aan en staan elkaar vooral in de weg. Alleen dat Paard op f6 heeft een duidelijke functie: het dekt veld h6 en het voorkomt een lullige zet als Tf7+.  Wit daarentegen heeft al zijn vijf stukken op de Koningsvleugel gericht, is meester over de witte velden en baas van de h-lijn. Met vijf aanvallers tegen één verdediger, moet het voor Zwart desastreus aflopen.
Kenmerkend voor dit soort  stellingen is het dat de aanvallende partij rigoureus moet optreden; één of twee tamme zetten en Zwart kan zijn verdediging op orde brengen. Er moeten dus dwingende zetten worden gedaan. 1. Txf6 zou zo’n zet kunnen zijn, ware het niet dat je daarmee de ene verdediger vervangt door de andere en dat je je Toren kwijt bent. 1. Txf6 is dus niet de zet.
Het meest dwingend is natuurlijk het geven van schaak. Dat kan op twee manieren: 1. Dh6+ en
1.Dxh7+.  In een vluggertje speel je natuurlijk met je ogen dicht 1. Dh6+ en je ziet wel wat er gebeurt.  Dit dus: 1. Dh6+, Kh8; 2. g7+, Kg8; 3. Lxh7+, Pxh7; 4. Dg6, Pdf8; 5. gxf8D#.  Mooi zo. Mat. De winst is binnen. Maar wel in vijf en niet in vier.  Dh6+ is de zet dus ook niet. Zou het dan 1.Dxh7+ zijn?
Na 1.. Dxh7 heeft Zwart maar 1 zet: 1. .., Pxh7. Dit geeft de mogelijkheid tot 2. Tf7+, waarna de zwarte Koning alleen nog naar g8 en h8 kan.  Gaat ie naar g8, dan volgen 3. Ph6+ en 4. g7#.
Gaat ie naar h8, dan volgen g7+ en Ph6 #.
In de partij werd gespeeld: 1. Dxh7+, Pxh7; 2. Tf7+, Kh8; 3. g7+, Kg8; 4. Ph6#

Oplosklassement:

  1. EricL                           6 punten
  2. EricV                          4 punten
  3. Joop                            3 punten
  4. Albert en Henk           2 punten
  5. Fred                            1 punt