barend ubbinkweg

barend ubbinkweg

Probleem 3

Het probleem van 17 november 2014


De opgave: 
Kan Zwart zich nog redden?










Het antwoord luidde natuurlijk: ‘Ja’. Was dit niet  het geval geweest, dan zou de opgave hebben geluid: ‘Hoe wint wit’.
Goed, het wordt dus remise. Omdat herhaling van zetten, eeuwig schaak en het overhouden van onvoldoende materiaal niet aan de orde lijken, gaan we er eerst maar eens van uit dat Zwart pat kan afdwingen. Omdat de zwarte pionnen vaststaan, betekent dit dat Zwart van zijn  stukken moet zien af te komen.
Kijken we naar de stelling, dan zien we al gauw dat een schaakje op b7 of c6 de Koning van Wit naar f5 dwingt. Moeten we nu op b7 of op c6 schaak geven? Dat leert ons de positie van de koning op f5. Iedereen zal wel zien dat Zwart nu een Paardvork heeft: Pe6 – g7 geeft schaak en valt de Dame op h5 aan. Lxg7 is nu gedwongen (en het Paard is van het van het bord). Op g7 ontneemt de Loper de vluchtvelden f8 en h8 aan de zwarte Koning. Nu moet er een zet te vinden zijn, waarmee Zwart zijn Dame kwijtraakt en een witte Dame of Koning op g6 krijgt. Dat lukt alleen met Dame g6+ en dat betekent dat we de combinatie beginnen moeten met Dame c6+.
Dus: 1. …, Dame c6+; 2. Kf5, Pg7+; 3. Lxg7, Dg6;  En of Wit nu met de Koning of de Dame slaat, het is pat.

Omdat EricL de enige was die een goeie oplossing inleverde, ziet de stand in het oplosklassement er nu als volgt uit;
  1. Eric                            3 punten
  2. Henk                          2 punten
  3. Joop, Albert, Paul      1 punt  

Probleem 2 - 29 september 2014



En de opgave luidde:

Wit geeft mat in 5 
(of Zwart verliest materiaal)






Een aanwijzing voor de weg naar de oplossing ligt al in de formulering van de opgave besloten, nl.: ‘of Zwart verliest materiaal’.  Kennelijk moet er door Wit wat geslagen worden, waarna Zwart de keuze heeft om zijn verlies te accepteren of mat te gaan. We kijken naar de stelling om te zien welke stukken in aanmerking komen om eraf geramd te worden. Dan hoef je geen Anand te zijn om te zien dat dat wel het Paard op d5 moet zijn. Je schakelt een verdediger van c7 uit en na 1. …, Dxd5 heb je nog een verdediger weggelokt. Verder zou ons kunnen opvallen dat Lf4 niet alleen naar c7 loert maar ook naar b8. Dit betekent dat vluchtvelden voor de zwarte Koning op witte velden moeten liggen en op a7. Tot slot moeten we ons verheugen over dat Paard op a4. Als we inzien dat
Pa4-b6 de velden a8 en c8 onder vuur neemt, zijn we een heel eind.
Dus: 1. Dxd5, Dxd5;  2. Txc7+, Kb8; 


OPl.: 1. Dxd5, Dxd5; 2.Txc7+, Kb8; 3. Tc8+, Ka7; 4. Lb8+, Ka8; 5. Pb6++

Probleem 1 - 22 september 2014




Zwart geeft mat in 5











We kijken naar de stelling.
Zou Wit aan zet zijn, dan is Zwart na Df7+  reddeloos verloren. Maar Zwart is aan zet en dat betekent dat er doortastend en vernietigend moet worden opgetreden.
Het fijne voor Zwart is dat al zijn stukken rechtstreeks op de witte Koning zijn gericht: Dame, Toren en de twee Paarden. Met vier aanvallers tegen één verdediger  (Pe3) hoef je niet op een stuk meer of minder te kijken.. Er kan geofferd worden en er moet schaak gegeven worden, want anders gaat het Zwart er aan. Ook valt op dat de pion op g2 de activiteit van de zwarte Paarden ernstig belemmerd. Tenslotte dient te worden opgemerkt dat als Th8 een functie heeft, die functie alleen maar kan zijn om, na opruiming van pion h2,  langs de h-lijn mat te zetten. Nu kunnen we afstrepen. 1. Ph3+ leidt tot stukverlies, 1Pe2+ levert ook niets op.
Blijft er niet veel keuze meer over. We hadden natuurlijk ook kunnen denken: hoe krijg ik met schaak die g-pion van het bord. Beide gedachtegangen leiden naar hetzelfde antwoord:
  1. …, Dxg2; 2. Pxg2; (het Paard is nu een soort invalide pion die niet zijwaarts kan slaan en de zwarte Paarden hebben nu vrij spel) 2…, Pf3+; 3. Kf1, Pxh2+ (de h-lijn wordt geopend); 4. Ke1, Pf3+; 5. Kf1, Th1#.


EricL en Henk leverden de goede oplossing in en voeren na één ronde het oplosklassement aan. Hopelijk voelen velen van jullie zich geroepen de komende maanden de concurrentie met dit duo aan te gaan.

Probleem 25


12 mei 2014 


Wit begint en wint.

(Stelling uit Bernstein – N.N. 1909)








N.N. heeft het dit keer voor zijn doen lang volgehouden en staat op het eerste gezicht niet eens zo beroerd. Zijn Koning staat niet geweldig, maar hij heeft wel een pluspion. .Wat stelt Bernstein hier tegenover?  Matdreiging door Paard b7, wat verhinderd wordt door het paard op d8. Kijken we naar kandidaatzetten, dan zijn dat er eigenlijk maar twee: a3 en c4.  Omdat je na 1. a3, c5; 2.a4, b5 niet verder komt, blijft . 1. c4 over.  Maar waarom zou dat de winnende zet zijn?  Omdat te weten moet  je kunnen visualiseren wat het vervolg is van de mogelijke antwoorden van Zwart.  Hoe gaat het verder na 1. …, bxc5,  1. …, Pe6  of 1. …, b5??  De eerste twee zien er veelbelovend uit.
1. c4, bxc5; 2. Pc4+, Kb5;  3. a4 mat
1. c4, Pe6;  2. Pb7+, Kb5;  3. a4 mat
Maar wat gebeurt er als N.N. b5 speelt en daarmee de kritische velden c4 en b7 onder  controle houdt?
Dan moeten we Zwart ertoe dwingen om of veld c4 of veld b7 op te geven. Zo niet, dan beleeft N.N. de dag van zijn leven.
1. c4, b5; 2. a3!  en nu is N.N. in zetdwang. Wat ie ook doet, elk antwoord leidt tot mat. Sneu!  

Probleem 24

5 mei 20 14

Wit begint en geeft met zijn zesde zet mat.

( Stelling uit de partij:
  Sakharov – Cherepkov, Alma Ata 1969)







Wit heeft zwaar geschut in stelling gebracht. Zijn Lopers zijn geweldenaars, zijn Dame en
Toren f4 staan klaar  om finale klappen uit te delen. Een patroon dringt zich al snel op:  h-lijn openen en dan via die lijn met Toren en Dame op de Koning af.  Zoiets als: 1. Lxh7+. Kxh7; 2. Th4+. Kg8; 3. Th8+. Kxh8; 4. … tja, en dan blijkt Dh6+ tot niets te leiden omdat die Loper op f8 de pion op g7 dekt en dan ben je helaas een Loper en een Toren kwijt. Maar nu hebben we wel de sleutel tot de oplossing in handen: die Loper moet daar weg!! Het plan wordt dus: lijn openen, Loper weglokken, Koning naar h8 dwingen en gebruik makend van het feit dat pion g7 dan in de penning staat, mat geven op g7.
  1. Lxh7+, Kxh7; 2. Txd6!, Lxd6 ( en weg is ie); 3. Txh4+, Kg8; 4. Th8+, Kxh8; 5. Dxh6, Kg8; 6. Dxg7++.
 Deze oplossing werd door diverse clubleden gevonden. Maar, zoals gebruikelijk, was er toch weer een clublid dat het beter wist dan de grootmeester in kwestie en die na 2. Txd6 niet wilde slaan. Tja.  Fritz dus maar geraadpleegd en warempel, die gaf het clublid gelijk en stelde f6, f5 en Kg8 voor met een lichte voorkeur voor f6. En dan heeft Wit wel wat voordeel, maar de strijd is dan nog lang niet gestreden. Verrassend vond ik ook dat Fritz niet met het inslaan op h7 begon, maar met 1. Txd6, Lxg7. Dan werd het ook geen mat in 6, maar wel in 20.
Dit alles is op zijn minst toch opmerkelijk. Een partij tussen twee grootmeester wordt door een Russische toptrainer zonder commentaar als voorbeeld gegeven om een aantal tactische principes te illustreren en een schaker uit de onderbond wiens ratingcurve al geruime tijd een vrije verval vertoont,
ontmaskert de partij als broddelwerk.
Het lijkt me dat wij hier hoop uit kunnen putten. Ook wij knoeien er meestal duchtig op los, maar in wezen zijn we geniaal.

probleem 23

28 april 2014


(Deze stelling komt uit het boek van Stamma, 1737)










Ondanks zijn benarde positie weet Wit dit toch te winnen.
Wit is er niet best aan toe. Zijn Dame staat gepend en Zwart dreigt er met zijn volgende zet  mat van te maken. Dit betekent dat Wit zich alleen kan redden door middel van het geven van schaakjes en dan maar hopen dat een ervan tot mat leidt. Dat schaak geven kan op twee manieren, maar omdat al snel duidelijk zal zijn dat Dxb7+ op niets uitloopt, blijft er weinig anders over dan:
  1. Tf8+, Pc8 (Lc8??; 2. Pa6 mat);  Nu staat de zwarte Koning wel erg ingesloten. Zou Lb7 er niet staan , dan zou mat een peulenschil zijn. Weg dus met dat ding. 2. Dxb7+, Kxb7;  en nu wijst de weg zich vanzelf. 3. a6+, Kb8; 4. Pc6+, Ka8; 5. Txc8 mat.

Wat me aan die studies van de oude Stamma zeer bevalt, zijn het hoogromantische gehalte en de rechtlijnigheid ervan. Geen gepiel en gemiereneuk, geen stille zetten of het forceren van zetdwang, maar recht op het doel af en veel offeren. Dit is schaken uit de kindertijd van het schaken. Dit is het schaken waardoor we in onze eigen kindertijd verleid  werden er ook mee te beginnen. 

probleem 22


Zwart aan zet geeft in 5 zetten mat.

(Stelling uit de partij:
Schiffers – Chigorin, St. Petersburg 1897)







t Is lente, ’t is lente; tijd van grote schoonmaak en nieuwe kleren, en vooral van baltsen en van lokken. Waar ik ook om me heen kijk, het is al lokken wat ik zie: op de terrassen, in de parken, in mijn tuin. Het onderhavige probleem is dan ook een typisch lenteprobleem: ook daarbij is het niets dan lokken waar het om draait.
De Koning van Wit staat  naast een open h-lijn, richting Damevleugel staat ie ingesloten. De Lopers van Zwart bestrijken de witte en de zwarte velden voor de Koning en het is dat dat Paard op f3 daar staat, anders was het al in één zet mat. Verder valt aan de stelling van Zwart de flexibiliteit van de twee Torens op. Ze roept herinneringen op aan iets wat we wel vaker hebben gezien: je offert die van h8 met schaak en hup, op de volgende zet staat de tweede er.
Wit heeft hier weinig tegen in te brengen. Een schaakje op a8, een schaakje op d1 en dan houdt het wel op.
Laat ons nu tot lokken overgaan.
1… , Th1+ (lokt het Paard naar h1 en opent de diagonaal voor Loper e5);; 2. Pxh1,  Lh2+ (lokt de        Koning uit zijn tent en naar de h-lijn); 3. Kh2, Th8+ (Daar is ie al. Lokt de Koning verder van huis en brengt hem binnen het bereik van het enige stuk van Zwart dat nog niet aan de aanval meedoet);
4. Kg3, Pf5+ (lokt de Koning nu het vrije veld in waar hij van huis en haard is afgesneden en waar van alle kanten het gevaar dreigt, vooral van de kant van de h-lijn) ; 5. Kf4, Th4 mat.

Deze oplossing leert ons dat dat lokken soms een dwingend karakter kan hebben: er valt niet aan te ontkomen. Wees daarom voorzichtig, mannen, op de terrassen, in de parken en zelfs bij Albert Hein.


Probleem 21



Probleem van 7 april 2014 

uit: Bjorgquist – Timman, corr. 1971/2

Wit begint en Jan gaat er an (mat in 4)






Het patroon is duidelijk. Zwart valt aan op de Damevleugel, Wit zoekt zijn heil op de Koningsvleugel. Timman heeft een pion meer. Nadelig voor hem is die Loper op b7 die daar niets staat te doen en ook zijn Toren op f8 is, in vergelijking met de  actieve Toren van Wit op e5, niet echt een geweldenaar. Verder valt op dat Paard f6 op dat veld moet blijven omdat het anders mat in één is. En tot slot: voordat die pionnenmeerderheid verzilverd kan worden, moet er nog flink wat geschoven worden.
Wit daarentegen is met vier stukken in de aanval. De h-lijn ligt open, de zwarte Koning staat al aardig op de tocht. Als Wit nu ook de g-lijn nog kan openbreken, is het al gauw mat. Vanwege de penning van Paard f6 is dit een koud kunstje.
  1. Ph5 (dreigt mat op g7en forceert toegang zoals we dat in Stap 3 noemen), gxh5; 2. Pe6  (dreigt weer mat en maakt de weg vrij voor Te5-g5); fxe6; 3. Tg5+, Kf7; 4. Dg6 #.


En zo ging het in de partij en zo is het het mooist en het principieelst en het siert Timman dat hij deze combinatie toeliet. Natuurlijk had hij in plaats van 2. …, fxe6 ook Dxe6 of 2. … Dxf2+, 3.Kxf2, Pg4+; kunnen spelen en nog even met de pest in kunnen doormodderen. Maar als het dan toch moet, is het nobeler en waarschijnlijk ook meer bevredigend  om ten onder te gaan in een kunstwerkje dat je samen gecreëerd hebt.

Probleem 20


Probleem van 31 maart 2014

Uit: Chigorin – N.N., St. Petersburg 1894

Opgave: 

Wit geeft in een paar zetten mat.





En zoals het hoort is N.N. ook hier weer de schlemiel. Zijn stukken staan aan de verkeerde kant, doen niets of verdedigen vanuit de verte veld f7 en g7, de achterste rij ligt volkomen open. Wat staan, in vergelijking hiermee, de stukken van Wit geweldig. Wie een beetje thuis is in matbeelden, ziet meteen dat het, als Paard g7 er niet zou staan, middels 1. Tf8 mat zou zijn. Het is dus duidelijk dat dat Paard weg moet. Wie voor Stap 3 geslaagd is, herkent in een oogopslag de motieven ‘aftrekaanval’ en ‘lokken’.  De oplossing is nu niet moeilijk meer. Zelfs zonder voor Stap 3 geslaagd te zijn, zoals Chigorin.
  1. Lc4, Dxc4; 2. De8+, Pxe8; 3. Tf8#

Zo ging het in 1894 en zo is het ook het aardigst en meest rechtlijnig. Maar Zwart kan iets langer tegenspartelen.

  1. Lc4, Tf7; Nu werkt De8+ niet meer en moeten we ook iets anders verzinnen. 2. De5 (dubbele aanval op Pg7 want de Toren op f7 staat gepend maar vooral met aanval op Pb8 + schaak. Wat Zwart ook verzint, nu is het mat in twee of drie, bijv.), 2. .., Dxc4; 3. Dxb8+, Pe8; 4. Dxe8+, Tf8; 5. Dxf8# 

Probleem 19



Probleem van 24 maart 2014

Medina – Donner, Beverwijk 1965

Donner gaat er aan!

Voor de hele partij uit 1965 gespeeld tijdens het Hoogoventoernooi in Beverwijk in 1965 KLIK HIER.



Natuurlijk had ik het fijner gevonden als Donner in deze stelling Wit had gehad. Maar hij heeft Zwart en daarmee zal hij niet gelukkig zijn geweest. Hij staat weliswaar een pion voor, maar op zijn Koning staan vier vijandelijke stukken gericht , terwijl zijn verdedigers hoofdzakelijk uit pionnen bestaan. Hieronder zal dus opruiming gehouden moeten worden. Ook de Dame op b2 heeft een verdedigende functie: ze dekt veld f6. Mat via f6 zit er dus niet in. De andere verdediger van formaat is de Toren en die lijkt overbelast te zijn, want hij moet zowel f7 als de achtste rij verdedigen.
Kijken we naar de stelling van Wit, dan valt meteen op dat na Ph5+ de zwarte Koning naar de achterste rij moet omdat pion g6 gepend staat ( en zoals Jermo. die onlangs voor Stap 3 is geslaagd, jullie allemaal kan vertellen: een gepend stuk is een slechte verdediger). Een prettige bijkomstigheid is dat het Paard vanaf h5 het eventuele vluchtveld g7 bestrijkt.
De oplossing begint nu contouren te krijgen: pionnen uitschakelen, als de Koning naar de achterste rij moet, dan moet de Toren naar f7 en vervolgens geven we mat op het veld waarnaar de witte Dame loert: d8.  Daar gaat ie:
1.      Txf7+, Txf7; 2. Ph5+, Kg8; 3. Dd8 mat.


Behalve door Medina werd deze oplossing ook door een verheugend aantal clubleden. Zelfs Joop was er bij. al maakte hij het zich wel gemakkelijk door na zet twee van Zwart te noteren: ‘en daarna loopt het mat.’ Maar toch, Joop, het getuigt van een bijna grootmeesterlijk inzicht. Je tegenstanders in de Osbocompetitie zullen nog raar opkijken als ze tegen jou aan een eindspel moeten beginnen.

Probleem 18



Wit begint en geeft op de 6de zet mat.









De stelling komt uit een partij die Averbach in 1954 in Rusland tegen N.N. speelde. Deze N.N.  lijkt me geen briljant schaker. Je komt hem in dit soort stellingen wel vaker tegen en altijd is hij dan de klos. Ook in deze partij staat hij er weer beroerd voor. Hij mag dan wel een kwaliteit voor staan,  zijn Toren op a8 doet helemaal niets, zijn Toren op f8 heeft als belangrijkste functie dat hij zijn Koning vluchtvelden ontneemt en van het Paard op b8 kun je nog zeggen dat het veld d7 dekt. Veel is dit niet.
Dan staat Averbach  er heel wat beter voor. Wat die pion op d6 en die Toren op e7 daar staan te doen, is wel duidelijk. Minder duidelijk is de functie van Paard g5: is dat een aanvaller, die bijvoorbeeld op f7 moet inslaan, of staat het daar om te voorkomen dat de zwarte Koning via e6 ontsnappen kan?

En hoe zit dat met de Dame?  Natuurlijk, dat ze op die open e-lijn invloed uitoefent, is duidelijk.

Maar waarom vormt ze met die Loper schuin achter haar een batterijtje op de diagonaal g1 – a7??

Veel wordt duidelijk als we nog eens naar de positie van de Koning van N.N. kijken. Het moet opvallen dat die alleen op het zwarte veld e8 (voorlopig) niet kan worden aangevallen.

Ook zou kunnen opvallen dat als pion a7 er niet zou staan, 1. Db6+, Kc8; 2. Dc7 mat is.

Maar nu weten we wat de bedoeling van het batterijtje is: die pion op a7 onschadelijk maken. Dus:

  1. Db6+, axb6; 2. Lxb6+. Kc8; 3. Tc7+, Kd8;  Nu staat de Koning in de vuurlijn van Loper b6,
dus dat er aftrekschaak  moet volgen is wel duidelijk. De vraag is alleen waarheen de Toren moet. 4. Te7 levert herhaling van zetten op, dus: 4. Txf7+, Kc8; (of 4. …, Ke8; 5. Te7 #);

5. Txf8+, Kd7; 6. Td8 mat (mede dankzij dat Paard op g5 dat veld e6 dekt).

 Deze opgave ging de aanwezigen duidelijk boven de pet. Alleen Henk kwam aardig in de buurt. Hij vond de eerste vier zetten, inclusief het variantje,  maar vulde niet de laatste twee zetten in. Een kniesoor die daar op let. Dat ik deze avond moest opgeven tegen iemand die een bijna net zo scherp schaakinzicht heeft als Averbach, maakt het verlies een stuk draaglijker.

Erics kerstpuzzel


Dit was mijn kerstmis retrograde puzzel. 

Ik vroeg mij af of de eindstelling van deze partij bereikt kon worden op het theoretische minimum
aantal zetten (40 x 2). Dat is per kleur: 8 pionzetten + 8 paardzetten + 4 loperzetten + 10 torenzetten + 3 damezetten + 7 koningszetten =  bij elkaar 40 zetten.

KLIK HIER VOOR MIJN OPLOSSING

Probleem 17



Wit  begint en zet mat.
Deze stelling komt uit een boek van Stamma, dat in 1737 werd gepubliceerd. Studies en probleemopgaven kenmerkten zich door een ongebreidelde offerlust . Vooral het weggeven van je Dame en de Torens en vervolgens nog wat klein spul om dan met een Paard en een pion, sprak sterk tot de verbeelding. Bovenstaande stelling is er een aardig voorbeeld van. Aardig eraan vind ik ook dat het hele repertoire aan tactische snufjes dat je in de leerboeken van nu tegenkomt, ook toen al bekend was. Lokken, het openen van lijnen, gepende stukken zijn slechte verdedigers, het forceren van toegang, je komt het bij die Stama allemaal al tegen.

Laat ons kijken naar de oplossing.
De Koning van Zwart staat niet prettig, maar zou via zich via b6 in veiligheid kunnen brengen. Dit moet dus voorkomen worden. 1. Dc4+ valt dus af. Ook 1. Dxc5+, dxc5 valt af, want zo gauw Wit geen schaak meer kan geven , maakt Zwart er met Dh1 zelf mat van.
Speciale aandacht dient uit te gaan naar het Paard e3. Dat staat nu niets te doen, maar als de zwarte Koning op a5 staat, gaat het naar c4 en geeft niet alleen schaak, maar dekt ook veld b6 af. 

Dus:
  1. Ta5+, Kxa5 ; ( 1. …, Kb6?; 2. Dxc5++) 2. Dxc5+, dxc5; 3. Pc4+, Kb5; 4. Tb6++
PS
Bij het probleem van de vorige week gaf ik wat voorbeelden van varianten op een oplossingsmogelijkheid van Paul die, naar ik meende,  gebaseerd was op het fenomeen ‘Dolle Toren’. Dit had ik niet goed begrepen. Uit nadere analyse bleek ook zijn weg naar remise te leiden. Paul en Eric blijven dus gezamenlijk het klassement aanvoeren.

Probleem 16


Het allermooiste is natuurlijk winnen door stikmat. Bijna net zo mooi vind ik het om straal verloren te staan en jezelf dan, door een sluwe combinatie, pat te zetten.

Ik kan me voorstellen dat Marshall zich moet hebben doodgelachen, toen hij in zijn partij tegen McClure (New York 1923) deze stelling remise wist te houden.





Zwart heeft een Toren meer. Wat kan Wit hier tegenoverstellen? Een vrijpion op h7 die er
op elk moment afgehakt kan worden ( en eraf gehakt moet worden, want h8D+ is mat).  
Winst zit er niet in voor Wit. Remise dan?  
Wat dat betreft geeft de positie van de witte Koning een aanknopingspunt. Om in te zien dat die na b5 niet meer zetten kan, hoef je Marshall niet te zijn. De vraag wordt nu: hoe kom ik van mijn Toren en pion h7 af?  Het antwoord hierop luidt natuurlijk: door ze te offeren en wel zo dat die offers niet kunnen worden afgewezen. 
Rest de vraag: in welke volgorde doen we dat. 

Omdat 1. h8D+, Txh8; 2. Th6, Tg8; niet dwingend is, wordt duidelijk dat de Toren er het eerst af moet. 1. Th6, Txh6; 2. h8D+, Txh8; 3. b5 en het is pat.

Dit was de oplossing die door vrijwel iedereen werd ingeleverd, behalve door Paul.
Die had een variant die niet op pat berustte, maar op een dolle Toren. Nu is het ontegenzeggelijk groot feest als je daarmee remise in de wacht weet te slepen, maar helaas, dat zit er hier niet in. Volgens Paul bereik je ook remise met: 1 Txf7.
Maar dan zijn er drie mogelijkheden waarop je als Wit verliest.
  1. 1. Txf7, Te8; 2. Te7, Td8; 3. Txc7, Kb8;  en daarna wordt het een gewone pot waarin Wit op den duur mat gaat. Voor B en C geldt hetzelfde.
  2. 1. Txf7, Te8; 2. Tf8, Tb8; 3. Txb8, Kxb8; 4. b5, Kc8;
  3. 1. Txf7, Te8; 2. h8D+, Txh8; 3. b5, c5 

In het oplosklassement staat EricL nu één punt voor op Paul.

Probleem 15


Wit geeft mat.










We kijken eerst maar weer eens wat er aan de hand is.
De Koning van Zwart staat beroerd. Hij wordt alleen verdedigd door een paar pionnen en de witte velden in zijn omgeving zijn taboe. Hinderlijk is ook dat zijn eigen stukken een elegante vlucht in de weg staan.
Wit heeft al zijn stukken op richting zwarte Koning staan, maar drie daarvan worden aangevallen  en twee daarvan dreigen verloren te gaan. Er dient dus door Wit voortvarend opgetreden te worden. Als we inzien dat na 1. Dxh6+  Loper c3en Paard f6 de cipiers zijn en
Toren h3 de jager wordt die op alle witte velden schaak kan geven, dan is de oplossing geen probleem meer.
  1. Dxh6+, gxh6;  2. Txh6+, Kg7; 3. Th7+, Kf8; 4. Th8+, Kg7;  5. Tg8+ (drijft de Koning naar de h-lijn), Kh6 (alwaar hij opgevangen wordt door het miezerige pionnetje op g4); 6. g5#


Er werd dit keer een verheugend aantal goede oplossingen ingeleverd, maar EricL en Paul blijven vooralsnog  onbedreigd het klassement aanvoeren.

Probleem 14



Opgave: 
STOP DIE PION!!!!










Dit bleek een vrij eenvoudige opgave. Er zijn maar twee stukken die die pion van promotie af kunnen houden: de Toren en de Koning.  De Toren kan dat alleen als ie op de h-lijn kan komen. De Koning kan dat alleen maar als hij, voordat Zwart promoveert, op g7 kan komen en dat kan hij alleen maar als ie ergens een tempo weet te winnen.
Eerst dus de Toren naar de h-lijn. 1. .., Tc4+; 2. Kg5, 2. Th4, (Wit moet nu nemen, dus), 3. Kxh4, (en nu is de Koning binnen het bereik van pion h7 gekomen), 3. .., g5+;
4. Kxg5, Kg7.

Eric en Paul waren weer de enige die de oplossing schriftelijk inleverden, zodat hun onderlinge strijd onverminderd doorgaat.

Probleem 13


Zwart begint en wint.
Geef de eerste vijf zetten.










Verheugend was, bij degenen die zich met het oplossen van dit probleem bezighielden,
de snelheid waarmee men inzag waar het in deze stelling omdraaide: als alle stukken van het bord zijn, kan de pion op c2 doorwandelen. Met dit inzicht gewapend was de oplossing niet zo moeilijk meer, al moest men wel alert zijn op de goede volgorde van de zetten.

De weg naar de winst verliep dus zo:

1 .., Pg3+; 2. fxg3, Df6+; (en niet 2. .., Txe1+), 3. Df2, Txe1+ (en zeker niet 3. .., Dxf2!!) 4. Kxe1, Dxf2; 5. Kxf2, c2.